Fotografie in het zomerlicht

Voor fotografie is licht nodig, en mooie foto's maak je met het juiste licht. In de zomer (wanneer de meeste foto’s gemaakt worden) is het soms langer dan 15 uur per dag licht, dus is het belangrijk te begrijpen welk effect het licht heeft op je foto's.


In deze Tips & Tricks leer je hoe het licht verandert en hoe je daarvan kunt profiteren.

De gouden uren:

In de fotografie zijn er twee daglicht uren die speciaal zijn: het uur na zonsondergang en het uur voor zonsopkomst. Deze uren worden de gouden uren genoemd.

Wanneer de zon ondergaat of opkomt, staat hij dichtbij de horizon. Daardoor gaat het licht door een groter deel van de atmosfeer dan wanneer de zon hoog aan de hemel staat. Blauwe golflengtes worden door waterdeeltjes in de lucht geabsorbeerd en verspreid. Hoe verder het licht door de atmosfeer gaat, hoe minder blauw licht uiteindelijk de grond bereikt. Daardoor is het licht in de vroege morgen en aan het eind van de dag warmer. Het licht krijgt een gouden tint die goed past bij veel onderwerpen zoals landschappen en gebouwen. Maar ook kan het net dat beetje elan aan de foto toevoegen, om de foto speciaal te laten zijn.

Het kan zijn dat je meer of minder dan 60 minuten de tijd hebt. Dat hangt af van waar je op de wereld bent. Op of rond de evenaar komt de zon sneller op en heb je minder dan een uur gouden licht. Bij de Noord- en Zuidpool zijn er dagen dat de zon nooit ver boven de horizon uitkomt. Het gouden uur duurt dan de hele dag.

Door met een lichtoranje filter voor je lens te werken kun je overdag toch iets (proberen) terug te winnen van het gouden uur.

Spelen met schaduw:

Naast het warme licht zorgt de laagstaande zon van de vroege ochtend ook voor lange schaduwen. Die accentueren ruwe oppervlakken, vooral die van gebouwen, monumenten en standbeelden. Ook landschappen en heuvels profiteren van de lage lichthoek.

Naarmate de zon hoger aan de hemel komt te staan, worden de schaduwen veel korter en intenser en dan zijn ze vaak veel minder mooi. Als je een portret maakt in dit licht zijn die harde schaduwen vaak vooral goed te zien onder de ogen, of onder een hoed- of petrand. Je kunt ze voorkomen door de flits te gebruiken. Zo vul je de schaduwen in, vandaar de naam invulflits. Je krijgt dan een evenwichtigere belichting. Later op de dag kan het nodig zijn om mensen die je fotografeert in de schaduw te zetten, zodat ze hun ogen niet dichtknijpen en er zachter licht is.

  

Veranderend licht:

Het licht verandert de hele dag door, en daarmee de kwaliteit van de foto’s. 's Ochtends en 's middags buiten de gouden uren heeft het zonlicht nog steeds een warme, maar meer gedempte kleur. Midden op de dag is fel zonlicht veel blauwer. Er is dan meer contrast en er zijn korte, (meer onaantrekkelijke) schaduwen. Bij een wolkendek worden die effecten verzacht waardoor je dan het meest evenwichtige licht hebt.

Ook verplaatst de zon zich door de lucht in de loop van de dag. Dus wanneer het onderwerp (gebouw, monument) 's morgens in de schaduw staat, kan het 's middags in het volle zonlicht staan. De richting en de hoek van de zon is afhankelijk van de tijd van het jaar. Er zijn grafieken en calculators op het Internet beschikbaar die je deze informatie geven voor elke tijd van de dag en elke hoogte- en breedtegraad.

Als je een georganiseerde reis maakt, heb je misschien maar een paar minuten om foto's te maken. Bedenk dat het voor de gidsen werk is, foto’s maken voor zonsopgang of na zonsondergang vergt soms wat overredingskracht. Maar wanneer je een paar dagen op dezelfde plek blijft is het de moeite waard om op verschillende tijden van de dag terug te komen bij dezelfde onderwerpen om te zien of je betere foto's kunt maken wanneer het licht vanuit een andere hoek valt.

 

AquaductNerja3_1080x606
AquaductNerja4_1080x606
AquaductNerja3_1080x606
AquaductNerja4_1080x606

Witbalans:

De kleur van het licht heeft een waarde: de kleurtemperatuur, of te wel de witbalans. Dit speelt een belangrijke rol bij (digitale) fotografie.

 

Het menselijk oog en het brein passen zich goed aan de veranderende kleur van het licht aan. Een vel wit papier is altijd wit, of je er nu buiten in het daglicht (blauwachtig) of binnen bij een gloeilamp (geelachtig) naar kijkt.

Camera's kunnen zich niet op die manier aanpassen. Je camera moet worden 'ingesteld' voor de kleurtemperatuur van het licht. De sensor in je camera kan met één druk op een knop worden ingesteld voor veel verschillende kleurtemperaturen. Tot de instellingen behoren Daylight (Daglicht), Shade (Schaduw), Cloudy (Bewolkt), Tungsten (Kunstlicht), Fluorescent (TL-Licht), Flash (Flits) en Custom (Aangepast).

Je zult zien dat er drie instellingen voor daglicht zijn. Dat is omdat de kleurtemperatuur van het licht in de schaduw of bij bewolking anders is. Voor de flitser is er ook een speciale instelling, ook al zijn de meeste flitsers geprogrammeerd om dezelfde kleurtemperatuur te geven als bij daglicht.

Als dit allemaal wat ingewikkeld is, kun je Auto White Balance (AWB, Automatische witbalans) instellen. Daardoor wordt het licht dat de sensor bereikt geanalyseerd en wordt een geschikte waarde ingesteld. Als je echter zeker wilt zijn van de witbalans, kun je een aangepaste witbalans kiezen. Maak een foto van een wit onderwerp (een stuk wit papier is geschikt, maar een 18% grijs stuk karton is ideaal). De camera gebruikt de informatie van deze afbeelding om de witbalans in te stellen voor toekomstige foto's. Je moet deze procedure steeds wanneer het licht verandert herhalen.

Kleurtemperaturen worden gemeten in Kelvin, of K (zonder gradenteken). Waarden die relevant zijn voor fotografie, liggen ongeveer tussen 1000 K (kaarslicht) en 10.000 K (zeer blauwe lucht). Het gemiddelde daglicht is ongeveer 5000 tot 5500 K; gloeilampverlichting is ongeveer 2700 K; het licht vroeg in de ochtend of aan het eind van de dag is ongeveer 3000 tot 3500 K.

Steeds meer camera’s hebben tegenwoordig de mogelijkheid om de sensor in te stellen voor een bepaalde kleurtemperatuurwaarde.

Zonnekappen en filters:

Een van de nuttigste en meest effectieve accessoires voor fotografie is de zonnekap.

Je bevestigt de kap aan de voorzijde van het objectief en voorkomt daarmee dat fel licht de camera vanaf de zijkant bereikt. Als dit licht op de voorzijde van het objectief valt, kan dat leiden tot lichtvlekken. Grote lichtvlekken kunnen strepen op de foto veroorzaken, maar ze kunnen ook leiden tot contrastverlies in de hele foto.

Er zijn vele filters waarmee vele verschillende effecten op foto’s gecreëerd kunnen worden. Daarnaast zijn er ook nuttige filters, die eigenlijk niet mogen ontbreken in een fotografie-uitrusting.

Het polariserende filter:

Hiermee kan een blauwe lucht op een zonnige dag donkerder worden gemaakt, terwijl de rest van de omgeving ongewijzigd blijft. Dat gebeurt echter alleen als de zon zich op een rechte hoek ten opzichte van het filter bevindt, dus het is vooral geschikt voor het fotograferen van een deel van de horizon wanneer de zon hoog aan de hemel staat.

Dit filter is ook geschikt (minder dan het UV filter) om schittering van het water weg te halen, waardoor het fotograferen van dingen onder het wateroppervlak ook opeens mogelijk wordt.

 

En het UV filter (ultraviolet):

UV straling is niet zichtbaar voor het menselijk oog, maar kan fletsheid op foto's veroorzaken. UV straling neemt toe met hoogte, dus dit is een geschikte filter als je graag klimt. Een UV filter wordt ook veel gebruikt om de voorkant van een objectief te beschermen. Bij krassen is het aanzienlijk voordeliger om een filter te vervangen dan om het voorste element van een objectief te vervangen.

 

 

Share
Joomla templates by a4joomla
Cookies make it easier for us to provide you with our services. With the usage of our services you permit us to use cookies.